Felice Charles Antonius Togni (Zwolle, 3 oktober 1871 - Overveen, 31 oktober 1929) was een Nederlands violist en vioolleraar.
Togni was de oudste zoon van Anton Albertus Felix Simonius Togni en Anna Maria Hubertina de France. Hij was gehuwd met Maria Kretzschmar. Al vroeg kwam hij in aanraking met muziek. Zijn vader handelde onder andere in strijkinstrumenten en aanverwante zaken, terwijl zijn grootvader Charles de France carrière had gemaakt in de militaire muziek. De andere grootvader, eveneens Felice Togni geheten, kwam oorspronkelijk uit het Zwitserse Bignasco en had zich als schoorsteenveger in Zwolle gevestigd.
De eerste vioolleraar was André van Riemsdijk (1848-1904), die viool had gestudeerd aan het conservatorium te Luik en zich in Zwolle ontpopte als een uitstekend pedagoog. Togni studeerde verder bij Richter, Kramer, Timmner en Kes. Van 1892 tot 1917 was hij verbonden aan het Concertgebouworkest, aanvankelijk als eerste violist, twee jaar later in de functie van aanvoerder van de tweede violisten. Ook was hij verbonden aan de orkestschool van Kes.
Na 1895 had Willem Mengelberg de muzikale leiding van het Concertgebouworkest overgenomen van Kes. In de tijdsspanne waarin de nationale orkestmuziek tot bloei kwam, heeft Togni als bekwaam pedagoog een rol van betekenis gespeeld. Hij was reeds leraar aan de Amsterdamse Muziekschool van Toonkunst toen in 1914 zijn benoeming volgde tot hoofdleraar voor viool, kwartetspel en vioolpedagogie aan het Amsterdams Conservatorium. Tal van bekende musici heeft hij onder zijn hoede gehad, zoals Gerard Boedijn, Sem Dresden, Jan Felderhof, Cor Kint, Joachim Röntgen en Leon Samehtini.
Tot de didactische werken van Togni behoren:
- Die Ausbildung der linken Hand (Breitkopf & Härtel);
- De eerste ontwikkeling van de techniek der linkerhand (G. Alsbach & Co.);
- Le mécanisme de la double-corde du violon (Seyffardt's Boek- en Muziekhandel);
- De ontwikkelingsgang der viool- en vioolbouwkunst (Emil Wegelin).
Welkom op de pagina Nederlandse en Vlaamse componisten IV. De teksten op deze pagina zijn al dan niet in bewerkte vorm afkomstig van o.a. de websites van Donemus, Wikipedia en de Leo Smit Stichting. Een aantal teksten is geschreven door Vioolschool Sillem.
Componist Merlijn Twaalfhoven (1976) laat zich voor zijn composities vooral inspireren door archaïsche en niet-westerse muziek, waarbij een balans tussen ruwe natuurgeluiden en verfijnde melodieën zorgt voor een veelzijdig klankpalet.
Zijn composities werden uitgevoerd door orkesten in Nederland, Japan, België en Zwitserland, en ontvingen diverse prijzen.
Twaalfhoven maakt daarnaast met zijn Stichting La Vie sur Terre ongewone, soms grootschalige projecten die een breed publiek opnemen in een totaalbeleving voor alle zintuigen.
Op bijzondere locaties zoals een scheepswerf, duingebied of het rijksmuseum, maar ook in concertzalen als Vredenburg en Paradiso werken klassieke musici samen met bijvoorbeeld een boerenfanfare, DJ's, kinderkoren, koks en kappers.
Als lector 'PopKunst' aan kunsthogeschool ArtEZ (de hogeschool in Arnhem, Zwolle en Enschede) onderzoekt hij hoe kunstenaars nieuwe publieksgroepen kunnen bereiken zonder afbreuk te doen aan hun artistieke ideeën.
Zelf brengt hij dit in praktijk in de projecten van La Vie sur Terre en in samenwerking met o.a. Toneelgroep Amsterdam, dansgroep Emio Greco|PC en Springdance Festival. Hij maakte een groot aantal locatieprojecten met plaatselijke musici in centraal Europa in het kader van het Nederlandse voorzitterschap van de EU en is bijna even vaak te horen op MTV als op radio 4.
Johannes Joseph Hermann Verhulst (Den Haag, 19 maart 1816 - Bloemendaal, 17 januari 1891) was een Nederlands componist en dirigent. Als componist en als topfunctionaris in het Nederlandse muziekleven in de negentiende eeuw is zijn invloed aanzienlijk geweest.
Verhulst zong als jongen in een katholiek kerkkoor, waar hij zich al onderscheidde door grote muzikaliteit. In zijn tienerjaren bracht hij het tot eerste violist in de hofkapel van koning Willem I. In 1836 kreeg Felix Mendelssohn-Bartholdy, op vakantie in Scheveningen, van Johannes’ muziekleraar een ouverture van Verhulst te zien. Mendelssohn nam hem daarop aan als leerling.
In Leipzig werd Verhulst dirigent van het Euterpe-orkest, waarvoor hij onder andere zijn Symfonie in e schreef. In 1842 ging hij op aandringen van koning Willem II terug naar Den Haag, waar hij zich toelegde op het schrijven van Nederlandse liederen. Zes jaar later werd hij in Rotterdam als dirigent van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst aangesteld. Bij een feest in 1854 voor het zilveren jubileum van die vereniging lukte het hem tal van buitenlandse muziekprominenten te strikken, waaronder Franz Liszt.
In de jaren daarna volgden nog enige benoemingen: in 1860 bij Diligentia in Den Haag en in 1864 in Amsterdam bij Toonkunst, orkestvereniging Caecilia en Felix Meritis. In die machtige posities had hij een enorme invloed op het Nederlandse muziekleven gekregen. Zijn conservatieve smaak kwam hem echter op groeiende kritiek te staan. Zo weigerde hij Berlioz, Liszt en vooral Wagner uit te voeren. Als de zakelijke directie van een orkest die werken gespeeld wilde hebben, was ze op een gastdirigent aangewezen. In 1886 werd hij benoemd tot erelid van Diligentia, wat tevens zijn ontslag bij deze instelling betekende. Daarop trad hij ook uit zijn functies in Amsterdam terug. Hij stierf teruggetrokken op 74-jarige leeftijd.
Verhulst heeft in het spoor van Franz Schubert en Robert Schumann enkele tientallen liederen geschreven, gewoonlijk op teksten van Jan Pieter Heije. De tekstuele kwaliteit van die liederen is twijfelachtig, maar de inleving van Verhulst is onbetwist. Kenmerkend zijn de voor die tijd uitgebreide chromatiek en lange voor- en naspelen. In zijn beste liederen benadert hij het niveau van zijn idool Schumann.
Voorts schreef hij kamermuziek, gewijde muziek (waaronder de Mis, opus 20) en orkestmuziek (waaronder de Symfonie in e opus 46, die sterke Schumann-trekken vertoont). Voor harmonieorkest schreef hij in 1844 Gruss aus der Ferne.
Hij was ook de componist van de Pius Cantate, een ode aan paus Pius IX op tekst van Schaepman, waarvan het begin "Aan U, o Koning der eeuwen" nog lange tijd als zelfstandige hymne populair was in de Nederlandse Rooms-katholieke Kerk.
Joannes Josephus Viotta (Amsterdam, 14 januari 1814 – aldaar, 6 februari 1859) was een Nederlands arts en musicus, vooral bekend vanwege enkele door hem gecompo-neerde volksliederen. Viotta was de zoon van een Italiaans koopman te Amsterdam. Hij was voor de geneeskunde bestemd, maar de muziek had zijn grote liefde. Als pianist, organist en zanger wist hij zich al vroeg te onderscheiden, zonder ooit regelmatig les te hebben gehad. Tijdens zijn studiejaren aan de Rijksuniversiteit Leiden (1833-1837) trad hij in het plaatselijke muziekleven op de voorgrond, schreef enige orkeststukken en veel pianomuziek. Na zijn studietijd vestigde Viotta zich als arts te Amsterdam, maar hij wist zich tegelijkertijd tot een centrale figuur in de hoofdstedelijke muziekwereld te ont- wikkelen. Hij was als repetitor een stuwende kracht achter de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst (hij was daarvan algemeen voorzitter in 1844, 1848, 1852 en in 1854) en introduceerde nieuwe werken van Mendelssohn, Schumann en Gade te Amsterdam. In dagbladen en tijdschriften was hij een onvermoeibaar promotor van deze muziek. De Nederlandse premières van de Symphonie fantastique van Berlioz in 1855 en de Tannhäuser van Wagner in 1858 besprak hij in uitvoerige artikelen in de Amsterdamsche Courant. Ook voor het muziekonderwijs heeft hij zich ingezet.
Als componist is Viotta vooral van belang door de vernieuwing van het Nederlandse volkslied, waarvoor Jan Pieter Heije de teksten schreef. Sommige van hun liederen zijn nog altijd bekend:
- De Zilvervloot
- Sint Nicolaas (Zie de maan schijnt door de bomen)
- Twee voerlui (Een karretje op de zandweg reed)
J. J. Viotta was getrouwd met Helena Petronella Louise Gelissen. De jurist-musicus Henri Viotta was hun zoon.
Alexander Voormolen (Rotterdam, 3 maart 1895 - Leidschendam, 12 november 1980) was een Nederlands componist. Hij werd geboren als zoon van de Rotterdamse hoofdcommissaris Willem Voormolen en studeerde piano bij Willem en Marinus Petri en compositie bij Johan Wagenaar aan de Toonkunst Muziekschool in Utrecht. O.a. Willem Pijper en Jacob van Domselaer waren zijn studiegenoten. Hij ging naar Parijs in 1915 op uitnodiging van dirigent Rhené-Bâton, waar hij studeerde bij Albert Roussel en kennis maakte met o.a. Maurice Ravel en Frederick Delius.
Activiteiten
Hij keerde terug naar Nederland in 1923 en vestigde zich in Den Haag. Hij was lange tijd muziekrecensent bij de Nieuwe Rotterdamse Courant en bibliothecaris van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.
Composities
Begrijpelijkerwijs werd Voormolen aanvankelijk vooral beïnvloed door het Franse impressionisme. Later worden meer Nederlandse invloeden zichtbaar, te zien aan zijn composities Tableaux des Pays-Bas, twee "kinderboeken" (1920 en 1924), de beide Baron Hop suites (1924 en 1931, geïnspireerd door het Haagse hofleven in de 18e eeuw) en de Pastorale voor hobo en strijkorkest (1940). Voormolen was een bewonderaar van Louis Couperus. Hij componeerde een aantal orkestwerken geïnspireerd door deze Couperus, zoals Eline (1957) en de Kleine Haagse suite (1939). De Canzone uit het hoboconcert is als herkenningsmelodie gebruikt voor de televisieserie De kleine zielen naar de roman van Couperus. Tot slot is de invloed van Max Reger en Anton Bruckner te horen in latere werken zoals Sinfonia Concertante (1951) en Ciacona e fuga (1958).
Prijzen en onderscheidingen
Voormolen kreeg in 1932 de Muziekprijs van de gemeente Den Haag voor zijn Air Willem V. In 1961 ontving hij de Johan Wagenaarprijs voor zijn gehele oeuvre, en de Visser Neerlandiaprijs voor Three songs on British verse (1948). In 1976 ontving hij de Penning van de Rotte van de gemeente Rotterdam. In 1978 kreeg hij het erelidmaatschap van de Haagsche Kunstkring aangeboden.
werken voor strijkers
Sonate voor altviool en piano (1953) (In memoriam Arend Hendriks)
Sarabande uit 1e suite Baron Hop. Bewerking voor viool en piano door de componist (1932)
Peter-Jan Wagemans (Den Haag, 7 september 1952) is een Nederlands componist.
Wagemans studeerde orgel (diploma 1974), compositie bij Jan van Vlijmen (diploma 1975) en muziektheorie (diploma 1977) aan het Koninklijk Conservatorium te Den Haag. Na voltooiing van zijn studie studeerde hij nog bij Klaus Huber te Freiburg.
Uitgangspunt bij zijn werken is dat een kunstwerk zich in de observatie van de luisteraar vormt, reden waarom hij niet de onderliggende structuur, maar de wijze waarop het werk kan worden waargenomen voorop stelt. Hij maakt veelvuldig gebruikt van hetgeen hij "muzikale archetypen" noemt, waarbij hij niet schuwt, ook ambivalente elementen binnen een werk te verenigen.
Peter-Jan Wagemans is een van de oprichters van de Rotterdamse School; sinds 1984 doceert hij hoofdvak klassieke compositie aan het Rotterdams Conservatorium.
Composities voor strijkers
Strijkkwartet (1997/1998)
Great Expectations voor viool solo
Johan Wagenaar (Utrecht, 1 november 1862 – 's-Gravenhage, 17 juni 1941) was een Nederlands componist, muziekpedagoog, dirigent en organist, opgeleid in onder andere Berlijn. Wagenaar werd in 1888 organist aan de Domkerk in Utrecht en hij bekleedde veel belangrijke functies in het lokale muziekleven. In 1892 nam hij onderricht in contrapunt bij Heinrich von Herzogenberg in Berlijn. Van 1919 tot 1937 was hij directeur van het Koninklijk Conservatorium in 's-Gravenhage. In zijn composities was een eigen, Nederlandse stijl herkenbaar; bijvoorbeeld in de cantate De Schipbreuk en in de orkestwerken Cyrano de Bergerac en De getemde feeks. Belangrijke inspiratiebronnen waren echter Richard Strauss en Hector Berlioz alsook Edward Elgar. Met name zijn ouvertures maakten indruk door hun sprankelende stijl, humor en kleurrijke orkestratie. In 1916 ontving Wagenaar een eredoctoraat van de Universiteit Utrecht.
Naar hem is de onderscheiding Johan Wagenaar-Prijs benoemd.
Enkele werken
- Cantate De schipbreuk (1889)
- Opera De doge (of koopman) van Venetië (1899) naar Shakespeares The merchant of Venice
- Ouverture King Lear op. 9 naar Shakespeare
- Ouverture Frühlingsgewalt op. 11
- Romantisch Intermezzo op. 13
- Levenszomer op. 21
- Ouverture Cyrano de Bergerac op. 23
- Saul en David, symfonisch gedicht op. 24
- Ouverture De getemde feeks op. 25 naar William Shakespeares The taming of the shrew
- Ouverture De Cid op. 27
- Sinfonietta (Symphoniëtta) voor orkest op. 32
- Ouverture Driekoningenavond op. 36 naar Shakespeares Twelfth Night
- Wiener dreivierteltakt op. 38
- Ouverture voor orkest De filosophische prinses op. 39
- Larghetto voor hobo en orkest op. 40
- Aveux de Phèdre voor sopraan en orkest op. 41
- Ouverture Amphitrion op. 45
- Ouverture Elverhöi op. 48
- Calme des nuits, lied voor koor a capella
Unico Wilhelm rijksgraaf van Wassenaer Obdam (Delden, 2 november 1692 - Den Haag, 9 november 1766) was een Nederlands diplomaat, bestuurder en componist. Daarbij gold hij als een uitstekend organisator bij de sanering van de Balije Utrecht van de Duitse Orde.
Unico Wilhelm van Wassenaer Obdam, Rijksgraaf van het Heilige Roomse Rijk, was de vijfde zoon van de edelman en diplomaat Jacob II van Wassenaer Obdam en van Adriana Sophia van Raesfelt tot Twickel en kleinzoon van admiraal Jacob van Wassenaer Obdam. De grafelijke familie waarin hij geboren werd bewoonde een huis aan het Noordeinde te Den Haag en kasteel Twickel bij Delden. Muziekonderricht kreeg hij vermoedelijk van Quirinus van Blankenburg in Den Haag.
Hij was lid van de Overijsselse, later van de Hollandse Ridderschap, gecommitteerde ter Staten-Generaal, het hoogheemraad van Delfland, raad ter admiraliteit van Rotterdam, bewindhebber van de VOC ter kamer Hoorn en Enkhuizen, gezant naar Frankrijk en landcommandeur van de Duitse Orde
Na zijn studie rechten aan de Universiteit van Leiden ondernam hij studiereizen door Europa. Daardoor belandde hij in de hoogste kringen, zo kwam hij in contact met Friedrich Ludwig hertog von Württemberg, aan wie hij drie sonates voor blokfluit en continuo opdroeg. In 1723 huwde hij Dodonea Lucia van Goslinga, dochter van Sicco van Goslinga. Zij schonk hem drie kinderen, waaronder Jacob Jan en Carel George (1733-1800).
Na het overlijden van zijn broer Johan Hendrik (1683-1745) erfde Unico Wilhelm diens goederen, waaronder Paleis Kneuterdijk en Zuidwijk.
Rond de helft van de 18e eeuw vervulde Van Wassenaer enkele diplomatieke missies als ambassadeur en 'minister' van de Republiek der Verenigde Provinciën, onder meer in Keulen en Frankrijk. Aldaar componeerde hij het motet Nunc dimittis. Vanaf 1753 trad hij in functie als coadjutor van de Duitse Orde in de Calvinistische Balije Utrecht.
Landcommandeur van de Balije Utrecht
Als coadjutor (1753) en later Landcommandeur van de Ridderlijke Duitsche Orde in de protestantse Balije Utrecht hervormde Unico Wilhelm van Wassenaer de Duitse Orde en herstelde hij de economische en organisatorische grondslag van deze charitatieve instelling.
Het initiatief tot de reorganisatie werd in september 1753 door Van Wassenaer genomen tijdens een kapittelvergadering waar hij tot coadjutor van de Balije werd verkozen. Daar gaf hij een analyse van de zorgelijke toestand, te weten: Financiële wanorde, verval van het bezit en een gebrekkige organisatie. De aangestelde commissie kwam bij de volgende kapittelvergadering in 1756 met het voorstel tot centralisatie van het beheer in de landcommanderij in Utrecht, tot goed beheer van bezit, afstoting verlieslatende delen en de aanstelling van een rentmeester-generaal als beheerder van de geldelijke middelen. De benoeming van deze rentmeester-generaal met secretaris volgde in 1762. De rentmeester-generaal en de secretaris zorgden voor de dagelijkse gang van zaken, in overleg met de landcommandeur waarbij elk jaar samen met enkele commissieleden de stukken werden gecontroleerd en besluiten werden genomen die door de kapittelvergaderingen werden bekrachtigd. De commandeurs verloren hun inkomsten uit de commanderij maar kregen in ruil een vastgesteld traktement. Doordat de opvolging door de coadjutor een automatisme werd, nam de macht van de landcommandeur toe. Ook de controle door de Staten van Utrecht nam af. De toelating van nieuwe leden kwam geheel in eigen hand, waarbij de controle op adellijke kwartieren en kerkelijke gereformeerde binding strenger werd.
De reorganisatie onder leiding van rentmeester-generaal Dirk Gijsbert Cazius was succesvol.
Door de hoge pachtinkomsten en de opbloei van de landbouw in de Republiek der Verenigde Nederlanden na 1765 liepen de batige saldi steeds verder op. De opbrengsten werden als een goede huisvader deels belegd, deels in kas gehouden en deels uitgekeerd aan de kapittelleden. Ook de secretaris en de rentmeester deelden in de winst.
Aan de vooravond van de revolutieperiode was de Balije Utrecht krachtig georganiseerd met gezonde financiën en werd goed beheerd. Daarbij stonden de leden als politicus of militair in het hart van de samenleving.
Van Wassenaer als componist
De bestuurder Van Wassenaar was muzikaal zeer getalenteerd maar liep daarmee niet te koop omdat dat in zijn aristocratisch milieu niet als een bijzonder passende bezigheid werd beschouwd. Daardoor werd het mogelijk dat door hem geschreven stukken aan anderen werden toegeschreven. Hij was componist van de Concerti Armonici die hij schreef tussen 1725 en 1740. Deze concerten werden gepubliceerd in 1740 door de Italiaanse violist Carlo Ricciotti (1681–1756), aan wie de concerten aanvankelijk werden toegeschreven. Van Wassenaer is daarom ook wel de 'the mystery composer' genoemd.
De Poolse componist François Lessel (1780?-1835) schreef de concerten ten onrechte toe aan Giovanni Battista Pergolesi. De stijl van de concerten is namelijk Italiaans, volgens Romeinse traditie geschreven met vier vioolpartijen en elk bestaand uit vier delen in plaats van de Venetiaanse drie delen, wat destijds gebruikelijker was; ze zijn vergelijkbaar met het werk van Pietro Locatelli. In 1979 werd een handschrift gevonden van de zes concerten in de archieven van Kasteel Twickel, met het opschrift Concerti Armonici. Hoewel er geen muziekhandschrift van Van Wassenaer zelf werd gevonden, bevat het de gedrukte partituur een handgeschreven inleiding van Van Wassenaer, luidend: "Partition de mes concerts gravez par le Sr. Ricciotti" (partituur van mijn concerten, gedrukt door Dhr. Ricciotti). Research van de musicoloog Albert Dunning (A Master Unmasked, Utrecht 1980) heeft vervolgens op overtuigende wijze aangetoond dat de Concerti Armonici van de hand van Van Wassenaer zijn.
Van Wassenaer's drie sonates voor blokfluit en basso continuo werden pas begin jaren 90 ontdekt. Voor die tijd had men Wassenaer als Wallenaer gelezen.
Rosy Wertheim (Amsterdam, 19 februari 1888 – Laren, 27 mei 1949) was een Nederlands componiste.
Rosy Wertheim (voluit Rosaly Marie Wertheim) werd geboren als dochter van joodse ouders: Johannes Gustaaf Wertheim en Adriana Rosa Enthoven. Haar vader was bankier en een zoon van de bekende A.C. Wertheim. Haar grootvader was de Amsterdamse bankier Abraham Wertheim. Vanwege zijn verdiensten voor de stad werd het Wertheimpark naar hem vernoemd, de plaats waar jaarlijks de Auschwitz-herdenking wordt gehouden bij het spiegel-monument van Jan Wolkers.
Op een kostschool in het Franse Neuilly werd Rosy's belangstelling gewekt voor klassieke muziek. Zij kreeg er pianolessen en wilde daar toen in doorgaan. Terug in Nederland studeerde ze piano bij Ulfert Schults, deed in 1921 haar staatsexamen piano en behaalde het diploma van de Nederlandse Toonkunstenaars Vereniging. Zij nam harmonie- en contrapuntlessen bij Bernard Zweers en Sem Dresden. In die tijd componeerde zij liederen en koorwerken. Van 1921 tot 1929 werkte zij als lerares aan het Amsterdams Muzieklyceum. Ook leidde zij enkele kinderkoren, waaronder het koor de ‘Eilandenkinderen’ uit een Amsterdamse volksbuurt. Tevens treedt zij dan op als dirigent van enkele vrouwenkoren, waaronder dat van het Religieus Socialistisch Verbond. In 1929 vertrok zij naar Parijs, waar zij zes jaar zou blijven. Ze componeerde er veel en schreef ondertussen ook voor het Amsterdamse dagblad Het Volk over het Parijse muziekleven. Compositie- en instrumentatielessen kreeg zij van de componist Aubert. In haar appartement ontving zij niet alleen Nederlandse kunstenaars, maar ook Franse musici, zoals Honneger, Ibert, Milhaud en Messiaen. In 1935 vertrok ze naar Wenen waar zij contrapunt studeerde bij Karl Weigl. In 1936 reisde ze naar New York, waar zij lezingen gaf en waar enkele van haar werken werden uitgevoerd, waaronder een strijkkwartet, een Divertimento voor kamerorkest en enkele van haar pianowerken. Opnieuw schreef zij als correspondent artikelen voor Nederlandse dagbladen. Een jaar later keerde ze terug naar Amsterdam. In 1940 werd in Den Haag haar pianoconcert uitgevoerd door het Residentie Orkest onder leiding van Willem van Otterloo. Na de bezetting door de Duitsers heeft Rosy aanvankelijk nog huisconcerten kunnen organiseren in een speciaal daartoe ingerichte kelder. Bij die concerten werd muziek gespeeld van joodse componisten, waarvan de opvoering door de bezetter verboden was. Kort na september 1942 dook zij onder, onder andere in Amstelveen en het Gooi. Gezegd wordt dat zij zichzelf en haar onderduikfamilies enkele malen in groot gevaar bracht door het maken van uitstapjes, gelukkig zonder gevolgen. Zo ontkomt zij aan de deportaties. Haar ouders waren al vóór de oorlog overleden. Na de oorlog gaf Rosy Wertheim nog enige tijd les aan de Muziekschool te Laren, maar kon al spoedig door een ernstige ziekte niet meer componeren. Haar totale oeuvre omvat ruim negentig werken, meest liederen en kamermuziek.
De fluitiste Eleonore Pameijer schrijft over haar muziek: “Rosy Wertheim schreef bijzonder lyrische muziek. Zij was begaafd met een zeer rijk en geschakeerd gevoel voor harmonie. Aanvankelijk gericht op de laat-romantiek, flirt zij enige tijd met octotonie, in Nederland heel populair gedurende de twintiger jaren (o.a. te horen in de composities van Sem Dresden en Leo Smit). Op haar latere werken heeft de periode in Frankrijk een duidelijke invloed gehad.(…) Haar composities zijn nooit eenvoudig of eenduidig; zij schrijft gelaagde muziek, waarbij zij de diepte opzoekt op een manier die enigszins aan Brahms doet denken. Het zijn geen kleine gebaren, maar grote gestes. Zelfs in haar meest eenvoudige liederen toont Rosy Wertheim altijd een complexe gelaagdheid.”
Composities voor strijkers
Cello Sonate (rond 1921)
Quatuor à cordes (ongedateerd)
Sonate voor viool en piano
Meer informatie is te vinden op de website van de Leo Smit Stichting: www.leosmit.nl




Powered by Maakum Websites